Ga naar de inhoud

6 mythen over inbraakpreventie

Door 5 min. lezen
Voordeur van een Nederlandse rijtjeswoning bij daglicht met veiligheidsslot, raamluik en een kleine alarmsensor boven de deur
Afbeelding gemaakt met AI.

Inbraakpreventie kent zes hardnekkige mythen: dat een brandend lampje of een radio genoeg is, dat inbrekers vooral ‘s nachts komen, dat inbraak alleen anderen overkomt, dat een hond de beste beveiliging is en dat ze alleen rijke wijken kiezen. Wat wel werkt, is gelaagde beveiliging die echte weerstand biedt in plaats van een trucje dat inbrekers herkennen.

Kernpunten

  • Een lampje helpt alleen samen met deuren en ramen op slot, volgens het advies 'Avondje weg? Licht aan, deur op slot'.
  • Inbrekers slaan vaker toe in de donkere herfst- en wintermaanden, als ze minder zichtbaar zijn.
  • Optimisme-bias laat veel mensen denken dat inbraak alleen anderen overkomt, waardoor ze het risico onderschatten.
  • Inbrekers kiezen de weg van de minste weerstand, ook buiten dure wijken: een woning met een zwak slot is makkelijker dan een woning met zichtbare beveiliging.
  • Een PKVW-certificaat verkleint de kans op een geslaagde inbraak tot wel 80% ten opzichte van een woning zonder certificaat.

Helpt een lampje aanlaten tegen inbrekers?

Ja, een lampje helpt als het een bewoonde indruk geeft, maar alleen samen met deuren en ramen op slot: de wintercampagne van politie, CCV en gemeenten zegt “Avondje weg? Licht aan, deur op slot”. De gedachte is dat inbrekers een verlichte woning mijden omdat er iemand thuis lijkt te zijn.

Waar komt de mythe van het brandende lampje vandaan?

Het idee achter deze mythe is logisch: inbrekers willen niet betrapt worden. Een brandend licht suggereert dat er iemand aanwezig is en zou dus afschrikken.

Maar hier zit precies het probleem. Inbrekers zijn niet dom en herkennen patronen. Een lamp die altijd op dezelfde plek brandt, op dezelfde tijden, geeft het tegenovergestelde signaal.

Waarom is een constant brandend lampje niet genoeg?

Een constant brandend licht is statisch en herkenbaar als trucje. Een lamp die ook overdag brandt, verraadt juist dat er niemand thuis is.

Wat werkt beter tegen inbrekers dan een brandend lampje?

Een tijdschakelaar of variatie werkt beter. Een aanwezigheidssimulator bootst realistisch lichtpatronen na door willekeurig verschillende lampen aan en uit te schakelen. Dit is veel moeilijker te doorzien dan een enkel brandend lampje.

Combineer dit met slimme buitenverlichting met bewegingssensoren. Deze heeft wel degelijk afschrikkende waarde omdat het onverwacht is en aandacht trekt.

Houdt een radio of tv inbrekers tegen?

Nee, een radio of tv alleen houdt inbrekers nauwelijks tegen: deze mythe lijkt op de lampjestheorie. Door een radio of televisie aan te laten, klinkt het alsof er iemand thuis is.

Een constant geluid uit dezelfde bron is net zo herkenbaar als een constant brandend licht. Ervaren inbrekers luisteren even bij de deur en herkennen het patroon snel. Er is geen beweging, geen variatie in geluid, geen gesprekken.

Als je toch geluid wilt gebruiken, combineer het dan met andere maatregelen. Variatie in verlichting, gordijnen die bewegen en onvoorspelbare patronen zijn samen effectiever dan één enkele maatregel.

Komen inbrekers vooral ‘s nachts?

Nee, inbrekers zoeken vooral een woning waar niemand thuis is, en ‘s nachts zijn de meeste bewoners thuis. Volgens het CCV gaat een inbreker vaker door naar het volgende huis als er iemand thuis is. Beelden van gemaskerde figuren die ‘s nachts inbreken zijn toch hardnekkig.

Wel speelt duisternis een rol: inbrekers slaan vaker toe in de donkere herfst- en wintermaanden, als ze minder zichtbaar zijn. De tijdstippatronen van inbraak laten zien dat december in 2023, 2024 en 2025 de maand met de meeste woninginbraken was.

Dit betekent dat beveiligingsmaatregelen vooral gericht moeten zijn op de momenten dat je van huis bent, zoals een avond weg in de donkere maanden.

Overkomt een inbraak alleen anderen?

Nee, al denken veel mensen dat inbraak iets is wat anderen overkomt. De buren, mensen in andere wijken, maar niet henzelf. Dit denkpatroon is een van de grootste risico’s voor je veiligheid.

Wat is het optimisme-bias bij inbraak?

Psychologen noemen dit het optimisme-bias: de neiging om te geloven dat negatieve gebeurtenissen anderen treffen maar niet jezelf. Het is een natuurlijk beschermingsmechanisme, maar het kan leiden tot onderschatting van risico’s.

Dit bias verklaart waarom veel mensen geen actie ondernemen. Ze weten dat inbraak voorkomt, maar voelen zich niet persoonlijk bedreigd. Pas na een inbraak verandert dit perspectief dramatisch.

Hoe groot is het inbraakrisico in Nederland?

In 2024 registreerde de politie 22.378 woninginbraken in Nederland. Dat zijn gemiddeld 61 inbraken per dag, verspreid over het hele land. Hoe inbrekers te werk gaan is vooral opportunistisch.

Inbrekers kiezen niet willekeurig. Ze zoeken naar de makkelijkste doelwitten: woningen met slechte sloten, weinig zichtbare beveiliging en voorspelbare afwezigheidspatronen. Of je nu in een appartement woont of een vrijstaand huis: het risico is reëel voor iedereen.

Is een hond de beste beveiliging?

Nee, al wordt de trouwe viervoeter vaak genoemd als ideale beveiliging. Een blaffende hond schrikt inbrekers af, zo is de gedachte. Maar de werkelijkheid is ingewikkelder.

Een grote, luidruchtige hond kan inderdaad afschrikwekkend werken. Het geblaf trekt aandacht en dat is precies wat inbrekers willen vermijden. Maar niet elke hond is een waakhond en zelfs waakhonden hebben beperkingen.

Kleine honden maken wel lawaai maar vormen geen fysieke bedreiging. Sommige grote honden zijn juist vriendelijk tegen vreemden. En ervaren inbrekers weten dat veel honden met een lekkernij zijn af te leiden.

Ook biedt een hond geen bescherming wanneer je met de hond weg bent of wanneer de hond slaapt. Een gedegen aanpak voor waakdieren als beveiligingsmaatregel vereist meer dan alleen het hebben van een huisdier.

Kiezen inbrekers alleen rijke wijken?

Nee, al is het een hardnekkige mythe dat inbrekers zich richten op dure wijken met grote villa’s. De gedachte is logisch: daar valt meer te halen. Maar de praktijk laat iets anders zien.

Gelegenheidsinbrekers zoeken vooral naar gemak. Een dure villa met zichtbare beveiliging, camera’s en mogelijk een alarmsysteem is veel riskanter dan een doorsnee rijtjeswoning met een zwak slot.

Inbrekers zoeken de weg van de minste weerstand. Een wijk met veel huurwoningen waar mensen minder investeren in beveiliging kan juist aantrekkelijker zijn. Of een nieuwbouwwijk waar bewoners nog niet alle beveiligingsmaatregelen hebben genomen.

De buit hoeft ook niet enorm te zijn. Elektronica, contant geld, sieraden en fietsen zijn in elke woning te vinden. Een slecht beveiligde woning is volgens het PKVW vaak in 30 seconden open, en inbrekers pakken wat ze snel kunnen meenemen.

Wat werkt wél tegen inbrekers?

Gelaagde beveiliging werkt wél tegen inbrekers: goedgekeurd hang- en sluitwerk, verlichting en een bewoonde indruk, eventueel aangevuld met detectie.

Een overzicht van bewezen afschrikmaatregelen laat zien welke maatregelen inbrekers tegenhouden. Het hang- en sluitwerk van het PKVW is getest op minimaal 3 minuten inbraakwerendheid.

Combineer mechanische maatregelen zoals goede sloten met elektronische detectie. Maak beveiliging zichtbaar met waarschuwingsstickers en camera’s. Varieer je aan- en afwezigheidspatronen zodat inbrekers je routine niet kunnen voorspellen.

Een PKVW-certificaat verkleint volgens het Politiekeurmerk Veilig Wonen de kans op een geslaagde inbraak tot wel 80% ten opzichte van een woning zonder certificaat. Een aanpak waarbij alle toegangspunten worden beveiligd, werkt beter dan losse maatregelen.

De belangrijkste les is: vertrouw niet op één enkele maatregel of op mythen die al generaties meegaan. Effectieve inbraakbeveiliging is gebaseerd op feiten, niet op aannames.